oefeningen werkwoorden; drie niveaus, werkwoorden alle tijden

 

Kies een onderwerp uit de rechterkolom en klik dan op de bijbehorende oefening uit de linkerrij 

NIVEAU A : FACILE  (makkelijk)                 

NIVEAU B : MOYEN   (gemiddeld)               

NIVEAU C : AVANCÉ  (gevorderd)

NIVEAU

WERKWOORDEN CONJUGAISON SIMPLE

CONJUGAISON SIMPLE; EENVOUDIGE VERVOEGING  (JE CHANTE ,TU CHANTES, ETC...)                    

A B
LES TROIS CONJUGAISONS: PRÉSENT, PASSÉ, FUTUR

PRÉSENT  ZET HET WERKWOORD IN DE TEGENWOORDIGE TIJD

     IMPARFAIT   ZET HET WERKWOORD IN DE VERLEDEN TIJD (O.V.T)

FUTUR SIMPLE   ZET HET WERKWOORD IN DE TOEKOMENDE TIJD

TEGENWOORDIGE TIJD OF VERLEDEN TIJD (O.V.T)

A  B  C
VERBES, AVEC DES TEXTES D’AUTEURS FRANÇAIS, CONJUGAISONS SIMPLES, PHRASES COURTES

-ZET DE WERKWOORDEN IN DE TEGENWOORDIGE TIJD

-ZET DE WERKWOORDEN IN DE IMPARFAIT (O.V.T.)

-GEEF HET INFINITIEF (HET HELE WERKWOORD) ... ETC

-EENVOUDIGE VERVOEGING, CONJUGAISON SIMPLE: BASISWERKWOORDEN, KORTE ZINNEN

B C

A  B

NOUS SOMMES / NOUS AVONS ( ? ) NOUS SOMMES / NOUS AVONS ( ? )
A B
Het tegenwoordig deelwoord  
BC
Participe passé ’’avoir’’

VOLTOOID DEELWOORD MET HET HULPWERKWOORD "AVOIR"

1 EXERCICE

B C
Ik heb net, ik ga net, ik ging net, ik ga zo boodschappen doen... Ik heb net, ik ga net, ik ging net, ik ga zo ...(+ HELE WERKWOORD; Bijbvoorbeeld boodschappen doen); verschillende vormen in het Frans
B C
PASSÉ COMPOSÉ 1, 2, 3

◄1 Verschil imparfait en passé composé

◄2 Zet het ww in de passé composé (volt.dlw.)

◄3 Zet het werkwoord in de passé composé

A B C

HERHALINGS-EN CONTRÔLE OEFENINGEN VAN WERKWOORDEN (niveau 5 et 6ème année )

HERHALINGS-EN CONTRÔLE OEFENINGEN VAN WERKWOORDEN (niveau 5 et 6ème année )  
Avoir (hebben) ►


Être (zijn) ►
Faire (doen, maken) ►
Aller (gaan) ►



Aimer (houden van ) ►
Finir (eindigen, ophouden) ►
Acheter (kopen) ►
Attendre (wachten) ►
Prendre (nemen) ►
Conduire (Besturen) ►
Devoir (moeten) ►
Remercier (bedanken) ►
Parler (spreken) ►
Dire (zeggen) ►
Vouloir (willen) ►



Voir (zien) ►
Savoir (weten) ►
Boire (drinken) ►
Ik heb net, ik ga net, ik ging net, ik ga zo (boodschappen doen...)

1 F-N

2 N-F

3 N-F
Verschil imparfait en passé composé►


Zet het ww in de passé composé (volt.dlw.)

Logo-box1